Tijdens van de geest van de kunstenaar. Bij

Tijdens
mijn tweede levensjaar besloten mijn ouders,  nadat ik schijnbaar enige artistieke interesse had getoond,
mij te voorzien van een rudimentair setje kwasten en wat verf. Op het moment
dat er een soort van abstracte zespotige tijger was ontstaan na mijn
geconcentreerde maar ongecontroleerde bezigheden haalden mijn ouders het werkje
weg. Nu hangt het boven de bank, en raken gasten niet zelden geroerd door dit
‘abstracte’ en ‘gewaagde’ werk, in de wetenschap verkerend dat een lokale
kunstenaar zijn hart en ziel in het schilderij heeft gestoken.                         Na
het lezen van Denken over Kunst van Van den Braembussche dacht ik weer aan mijn
creatie, nu met kunstfilosofische inzichten in mijn achterhoofd. Het was toch
niet zo, dat een kind van slechts twee jaar oud een concept in zijn hoofd had,
of een gevoelsbeweging die hij graag wilde uiten? Hoe kan het dan dat mensen
toch een gevoel bij een dergelijk werk krijgen dat niet enkel voorkomt uit
gespeelde bewondering voor een kind? Ik wilde waarschijnlijk graag een tijger
maken, maar was hier simpelweg technisch niet toe in staat. Was dit werkje wel een
kunstwerk? Volgens Collingwood is dit waarschijnlijk niet het geval, hoewel
Bell hier weer een radicaal andere opvatting over zou kunnen hebben. Beschouw
ik het werk als kunst en zo ja, hoe zou ik dit kunnen verantwoorden? Wat vind
ik het meest bruikbare kunstfilosofische perspectief ten aanzien van kunst in
algemene zin?            Om
tot een antwoord te komen zal ik drie verschillende kunstfilosofische theorieën
bespreken en in beschouwing te nemen. Eerst zal ik de Croce-Collingwoodtheorie
bespreken, waar ik vervolgens de fenomenologische opvattingen van Merleau-Ponty
aan zal koppelen. Tot slot zal ik het formalisme van Clive Bell en Roger Fry
bespreken.  Expressie: de Croce-CollingwoodtheorieEen
interessante kunstfilosofische opvatting over kunst is de expressietheorie, die
in essentie stelt dat het kunstwerk het gevolg is van of gelijk is aan de
expressie van de geest van de kunstenaar. Bij sommige aanhangers van deze
theorie treffen wij een verzwakte vorm van de mimesis-theorie aan. Dit zien wij
niet zozeer in het feit dat het kunstwerk een afbeelding is van de natuur maar
wel in het feit dat het kunstwerk een afbeelding is van de innerlijke
gemoedstoestand van de kunstenaar (Van den Braembussche 60).             Benedetto
Croce (1866-1952) en Robin George Collingwood (1889-1943) waren twee denkers
die beiden een expressietheorie ontwikkelden. De overeenkomsten waren echter
zodanig dat men later besloten heeft hun theorieën te bundelen en de
Croce-Collingwoodtheorie te noemen. Een belangrijk uitgangspunt voor beide
denkers was het idee dat de menselijke geest de enige werkelijkheid is die zich
manifesteert in en door de geschiedenis (Braembussche 61). In de kern stelt de
Croce-Collingwoodtheorie drie dingen.             Ten
eerste stelt de theorie dat het kunstwerk zich in de geest of het brein van de
kunstenaar bevindt, en dat het wezen van de kunst de expressie van de intuitie
is. (Braembussche  62). Vreemd
genoeg betogen beide denkers dat de kunstenaar niet een beeld in zijn hoofd
heeft en zoekt naar de beste middelen om dit uit te drukken: dit is namelijk
zeer ambachtelijk. Bijna paradoxaal stelt deze theorie dat expressie tot de
innerlijke realiteit van de kunstenaar behoort en dat intuitie en expressie
tegelijkertijd plaatsvinden.  De
expressie is namelijk onmiddellijk en compleet aanwezig in de verbeelding van
de kunstenaar (Van den Braembussche 62).             Een
tweede stelling zegt dat het kunstwerk zich ook niet hoeft te veruitwendigen.
Het bestaat in eerste instantie in de geest van de kunstenaar. De denkers gaan
zelfs zo ver om te zeggen dat de vorm reeds in de geest van de kunstenaar
compleet bestaat en dat het uiterlijke werk er niet toe doet. De derde stelling
luidt dat het kunstwerk slechts voor de toeschouwer toegankelijk is in de mate
waarin de toeschouwer de oorspronkelijke intuitie van de kunstenaar herleeft
(Van den Braembussche 62).  “.. op
het ogenblik van beschouwing … is onze geest één met die van de dichter….
Het is dankzij deze volkomen eenheid dat onze kleine zielen een echo kunnen
worden van grote zielen en kunnen meegroeien in het universele van de geest
(Croce, 1929, 121).”  De
denkers stellen ten eerste dat het beoordelen van een kunstenaar gelijk staat
aan het herscheppen van het kunstwerk, waardoor je terecht komt bij de geest
van de kunstenaar. Ook stelt Croce dat de beoordelende activiteit gelijk staat
aan de scheppende activiteit, zodat deze twee gelijk worden (Van den
Braembussche 65).             Ik
moet eerlijk zeggen dat ik de eerste fundamentele stelling van de
Croce-Crollingwoodtheorie al erg verregaand vind. Het is begrijpelijk dat de
denkers misschien minder waarde hechten aan de zintuiglijk waarneembare
werkelijkheid, maar om te stellen dat het kunstwerk zich enkel en alleen in de
geest kan bevinden, heeft grote implicaties. Mijn grootste vraagtekens bij de
Croce-Collingwoodtheorie zet ik bij het verwerpen van het belang van het
medium. Is materiaal niet dikwijls leidend in een dynamisch creatief proces
waar een kunstenaar zich in stort? Had Titiaan zonder Lapis Lazuli hetzelfde
sprekende schilderij kunnen maken? Werkte Jackson Pollock niet juist
ondergeschikt aan het materiaal, dat zich gestuurd door zowel hemzelf als de
natuurkrachten organisch over het doek verspreid? Men kan niet ontkennen dat
het praktisch onmogelijk is om geen enkele discrepantie te veroorzaken tussen
de intuitie en de uiterlijke verschijningsvorm door materiaal.             Daarnaast
vind ik het feit dat de twee denkers het beoordelen van kunst zien als het
herscheppen van het werk eerlijk gezegd een heel ideale maar zeer vreemde
gedachte. De twee heren verklaren op geen enkele wijze waarom er zo veel
verschillende interpretaties voor verschillende werken zijn. Ook de invloed van
cultuur op de toeschouwer in relatie tot het werk valt volledig weg. Kan ik
ooit een werk van een Polynesische prehistorische kunstenaar herscheppen? Ik
denk dat dit een ideaal is en dat dit niet mogelijk is. Voor mij is de
Croce-Collingwoodtheorie te idealistisch en bijna tegendraads en is het
onmogelijk om mijn kunstfilosofische opvattingen op hun denkbeelden te baseren.
 Fenomenologie: Merleau-PontyWaar
Croce en Collingwood sterk afstand namen van de zintuigijk waarneembare
werkelijkheid, zien wij dat de Franse denker Merleau-Ponty nog dichtbij het empirische
denken staat. Hij onderkent het feit dat het bewustzijn is geworteld in het
lichaam, waar hij naar verwijst als het lichaam-subject. Volgens Merleau-Ponty
uit deze eenheid van lichaam en geest zich in de waarneming. De waarneming, het
visuele aspect van onze wereld, de diepte in onze wereld en daarmee ook de
schilderkunst zijn voor hem van cruciaal belang. In scherp contrast met Croce
en Collingwood stelt hij dat er waarheid besloten ligt in het zichtbare. (Van
den Braembussche 248).             Wanneer
wij de filosofische kunstopvatting van Merleau-Ponty beschouwen gaan we uit van
het schilderij. Hij beschouwt dit niet als een nabootsing of afbeelding van de
wereld of als een expressie van de kunstenaar. Hij stelt dat de kunstenaar uit
de visueel waarneembare werkelijkheid een subjectieve kern destilleert, van
waaruit hij zijn eigen werkelijkheid als het ware schept. Er ontstaat zo wel
een verband tussen de werkelijkheid en kunst, maar geen nabootsing. De functie
van de kunstenaar is dan ook om de toeschouwer de wereld anders te laten
ervaren. De kunstenaar handelt dan ook niet uit het concept, maar uit een soort
‘onvoltooide koorts’ en laat dingen geboren worden (Van den Braembussche 254).             Het
zogenaamde ‘destilleren van de werkelijkheid’ is een prachtige opvatting op de
kunstenaar die enigszins inhaakt op de romantische gedachte. In tegenstelling
tot de Croce Collingwoodtheorie is veel onderlinge samenhang tussen kunst te
verklaren en te plaatsen. Elke kunstenaar is anders omdat elke kunstenaar een
andere zienswijze heeft. Het zien is uiteraard erg cruciaal in de beeldende
kunst en misschien wel een van de meest invloedrijke aspecten op kunstwerken.              Merleau-Ponty
poneert daarnaast dat de schilder communiceert met een logische taal, die
intuitief leidend is in het creatieve proces. Zoals woorden op zichzelf geen
betekenis en geen relatie tot een ding hebben, is een verfstreep ook
betekenisloos. Pas in een bepaalde context ontstaat er betekenis, net als in de
schilderkunst, waar strepen verf verworden tot een betekenisvol beeld.
Schilderen is creatief spreken, en net als taal is de schilderkunst autonoom. (Van
den Braembussche 256)            Is
het zo dat woorden geen vaststaande betekenis hebben? Zijn er geen universele
begrippen die zowel abstract als concreet zijn? Inderdaad, zonder enige kennis
en context kan geen enkel wezen betekenis aan taal toekennen. Het feit dat
Merleau-Ponty echter lijnen en kleuren gelijk stelt aan woorden vind ik wat
moeilijk te verkroppen. Lijnen en kleuren zijn namelijk inherent betekenisloos,
hoewel ze gecombineerd iets kunnen betekenen. De schilderkunst is dus wel een
vorm van taal, maar niet te vergelijken met onze concrete gesproken taal. De
schilderkunst zie ik als een taal die op een veel onbewuster en dieper vlak
raakt.              Hoewel
de concepten van de waarneming en de visuele werkelijkheid voor mij in de kunst
erg belangrijk zijn, moet ik stellen dat ik in de theorie van Merleau-Ponty,
hoewel hij uiteraard fenomenologisch is, het gevoel heb dat de emotie, het
gevoel en de expressie van de kunstenaar ontbreken. Het lijkt mij daarom niet
het meest bruikbare filosofische perspectief op de kunst.                         Formalisme:
Clive Bell & Roger FryVolgens het formalisme is kunst een autonoom verschijnsel. Het is geen
afbeelding of expressie, het is een verschijnsel dat haar eigen wetten volgt.
Clive Bell en Roger Fry, twee formalisten, waren twee kunstcritici ten tijde
van het postimpressionisme, een periode waarin veel traditionele waarden ter
discussie stonden (Van den Braembussche 85, 92). Bell en Fry hebben gezocht
naar een waarde die alle kunst verbind. Ze merkten op dat mensen over de gehele
wereld een zelfde soort ervaring hebben bij werken, of deze werken nu
prehistorisch zijn, primitief of juist Westers. Zij definieerden deze
eigenschap als de significante vorm, en vinden dat deze significante vorm als
het wezen van de kunst kan en mag worden beschouwd (Van den Braembussche 92).             De
significante vorm staat los van tijd en cultuur. Dit heeft echter, integendeel
zelfs, niet het gevolg dat de emotie aan de kant wordt gezet. Het gevolg van
deze significante vorm is namelijk juist de vervoering, die zowel emotioneel
als religieus kan zijn. Wanneer wij kunst beoordelen is enkel deze significante
vorm van belang. Als een schilderij bijvoorbeeld erg realistisch is, kan het
nog steeds een esthetische ervaring oproepen, die eerder omwille van dan
ondanks het realisme ontstaat (Van den Braembussche 92).              Bell
en Fry onderkennen het belang van het overbrengen van gevoel in de kunst, maar
ontkennen het feit dat kunst zelfexpressie zou zijn. De focus in de
kunstbeoordeling van Bell en Fry ligt op de toeschouwer. Om een esthetische
ervaring te krijgen, hoeft er geen connectie tussen de toeschouwer en de
kunstenaar of de kunstenaar en het kunstwerk te zijn. Het gaat enkel om de
significante vorm. Ze gaan zelfs zo ver dat ze stellen dat in de kunst enkel
een diepe, algemene en bijna metafysische emotie kan worden uitgedrukt. Wanneer
wij literatuurverwijzingen koppelen aan kunstwerken, verliezen wij zicht op de
zuivere, significante vorm die een doel op zich is. We moeten de kunst dus
ervaren, en niet verklaren (Van den Braembussche 95).             Er
zijn veel bezwaren tegen deze theorie geopperd. Een daarvan is dat representatie
irrelevant wordt in deze formalistische theorie, waar dit door de gehele
kunstgeschiedenis als een zeer relevant aspect moet worden ervaren. Daarnaast lijkt
de verwerping van de intenties, ideeën en gevoelens van de kunstenaar mij erg
intens en wat onnodig. Toch moet ik zeggen dat de formalistische theorie van
Bell en Fry mij het meest zegt over wat het wezen van de kunst nu is. Met de
significante vorm hebben zij de vinger gelegd op de gemeenschappelijke deler
die bestaat tussen alle kunstwerken. Ik zie echter niet in waarom de opvatting
over de significante vorm niet afgezwakt kan worden en samen gezien kan worden
met de intentie van de kunstenaar. Kan dit niet naast elkaar bestaan?             Ik
denk zelf dat een formalistische kunstopvatting onmisbaar is wanneer ik kunst
beschouw. Greenberg stelt zelfs dat formalisme tot een wezenlijk onderdeel is
verworden van de westerse beeldende kunst en diepgeworteld zit in de traditie
van high culture. Volgens hem kunnen we niet meer zonder het formalisme. Zoals
Greenberg het stelt; “It remains that Modernism in art … has
stood or fallen so far by its
“formalism.” … so far every attack on the “formalist” aspect of Modernist painting and sculpture has
worked out as an attack on Modernism itself
because every such attack developed into an attack at the
same time on superior artistic standards (Greenberg
174).”  Het ideale
kunstfilosofische perspectief?Als ik nu reflecteer op het werk wat ik op mijn tweede zo onbewust
maakte aan de hand van de denkers en stromingen die ik zojuist beschouwd heb,
valt de Croce Collingwood- theorie mij het meest lastig. Het is een
kunstfilosofische theorie die misschien teveel neigt naar de kunstenaar zelf en
naar een sterke invloed op de toeschouwer. Mijn werk zou niet als kunst gezien
worden volgens deze twee denkers. Merleau Ponty zou mijn werk waarschijnlijk
wel zien als kunst. Ik heb op mijn eigen wijze de tijger gezien, deze
gedestilleerd en hier naar mijn beste kunnen een tijger van gemaakt. Toch vind
ik dat het aspect van materiaal en techniek, dat wordt opgelost door de
schilderkunst als een taal te beschouwen, in mijn optiek niet compleet juist.
Het formalisme overtuigt mij het meest.

            Ik
geloof dat een echt kunstwerk een significante vorm heeft en dat er niet teveel
naar de context en naar de kunstenaar gekeken moet worden. De vorm is het
primaire aandachtspunt in het beschouwen van een werk. Toch moet ik onderkennen
dat het denken in het formalisme misschien erg ver doorgetrokken wordt. In mijn
optiek is het formalisme verenigbaar met een kleine mate van context, waardoor
in mijn ogen de meest volledige filosofische opvatting over kunst zou ontstaan.
Maar toch, feit blijft dat het wezen van de kunst een bijna ongrijpbaar complex
concept is, waar eindeloze discussies over gevoerd kunnen blijven worden.  

We Will Write a Custom Essay Specifically
For You For Only $13.90/page!


order now